De Oudercommissie Kinderopvangtoeslag is een formeel adviesorgaan van de staatssecretaris van Herstel. De Oudercommissie bestaat uit gedupeerde ouders en adviseert gevraagd en ongevraagd over het beleid, de communicatie, juridische aspecten en uitvoering van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Onderstaand advies is uitgebracht op 17 maart 2026.

De Oudercommissie Kinderopvangtoeslag wil met dit advies aandacht vragen voor een aantal fundamentele punten rond het stelsel voor aanvullende schade. Het doel van dit advies is om bij te dragen aan een hersteloperatie die niet alleen voortvarend is, maar ook als rechtvaardig en zorgvuldig wordt ervaren door gedupeerde ouders.

De komende periode is cruciaal. Met de introductie van het aanmeldportaal, de nieuwe route voor aanvullende schade (MijnHerstel) en met de naderende aanmelddeadline van 31 maart 2026, wordt van ouders gevraagd om belangrijke keuzes te maken over hun herstelproces. Tegelijkertijd bestaan er nog substantiële onzekerheden over de werking van het stelsel en de rechtspositie van ouders. Zonder bijsturing bestaat het risico dat ouders opnieuw vastlopen in procedures en dat het vertrouwen in de hersteloperatie verder onder druk komt te staan.

In dit advies gaat de Oudercommissie in op twee urgente punten:

  1. de aanmelddeadline van 31 maart 2026;
  2. de beschikbaarheid van een toegankelijke bestuursrechtelijke route voor ouders.

Daarnaast plaatsen wij deze punten in de bredere context van het functioneren van het stelsel voor aanvullende schade, gebaseerd op signalen van gedupeerden en andere betrokkenen binnen de hersteloperatie.

1. De aanmelddeadline van 31 maart 2026
De Oudercommissie begrijpt de wens van het departement om een aanmelddeadline te hanteren, in het licht van voorspelbaarheid en beheersbaarheid van de hersteloperatie.
De Oudercommissie ontvangt echter signalen vanuit de uitvoeringspraktijk dat veel ouders nog onvoldoende geïnformeerd zijn over de deadline van 31 maart 2026 en nog onvoldoende geprepareerd zijn voor de keuzes die zij moeten maken binnen het stelsel.
Zo heeft Stichting (Gelijk)Waardig Herstel aangegeven dat de huidige termijn niet realistisch en moeilijk uitlegbaar is, onder meer omdat:

  • het aanmeldportaal nog niet voor alle ouders probleemloos functioneert;
  • ouders niet actief en duidelijk zijn geïnformeerd over de nieuwe aanmeldplicht;
  • veel ouders nog niet weten dat zij zich opnieuw moeten aanmelden voor aanvullende schadevergoeding.

Ouders worden gevraagd een route te kiezen, terwijl de kaart nog niet volledig is getekend. Belangrijke onderdelen van het schadestelsel (zoals de individuele berekening bij complexe aanvullende schades) zijn nog in ontwikkeling. En niet voor alle groepen is helder wat zij kunnen verwachten. Uit het webinar van 16 maart jl. begrijpt de Oudercommissie bijvoorbeeld dat de O/GS doelgroep niet terecht kan bij een forfaitaire route. Deze groep dient voor 31 maart a.s. een aanvraag in te dienen bij de Commissie Werkelijke Schade, terwijl nog niet helder is wat daar vervolgens mee wordt gedaan en wat deze gedupeerden kunnen verwachten.
Gezien het feit dat het stelsel nog in aanbouw is, kan niet van ouders worden verwacht dat zij hun keuze kunnen overzien. Haastige spoed is zelden goed: snelheid mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid.

De Oudercommissie adviseert daarom:

  • de aanmelddeadline van 31 maart 2026 uit te stellen;
  • de extra tijd te benutten voor betere informatievoorziening richting ouders;
  • ouders in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken tussen de beschikbare routes.

Een dergelijke aanpassing is niet alleen in het belang van ouders, maar ook van de uitvoerbaarheid van de hersteloperatie. Wanneer ouders zich onvoldoende geïnformeerd voelen, neemt de kans toe dat conflicten alsnog bij de rechter worden uitgevochten, met langere procedures en hogere uitvoeringslasten tot gevolg.

2. Duidelijkheid over de rechtsbescherming van ouders
Een tweede punt van zorg betreft de rechtspositie van ouders wanneer zij via de beschikbare routes niet tot een vaststellingsovereenkomst komen.

De Wet hersteloperatie toeslagen voorziet expliciet in de mogelijkheid voor ouders om een aanvraag te doen voor vergoeding van werkelijke schade wanneer de standaardcompensatie of forfaitaire vergoeding onvoldoende recht doet aan hun situatie.
Deze aanvraag leidt tot een bestuursrechtelijke beschikking van de Dienst Toeslagen, waartegen bezwaar en beroep openstaat.
In deze bestuursrechtelijke route speelde de Commissie Werkelijke Schade (CWS) tot zeer recentelijk een belangrijke rol als onafhankelijk adviesorgaan. De CWS adviseert over de omvang van de werkelijke schade, waarna de Dienst Toeslagen een besluit neemt dat door de bestuursrechter kan worden getoetst.

De Oudercommissie constateert dat het huidige beleid in toenemende mate inzet op routes die zijn gebaseerd op vaststellingsovereenkomsten (VSO’s). Deze routes kunnen in de praktijk bijdragen aan een snellere afhandeling van schade en daarmee perspectief bieden aan ouders.
Echter, een hersteloperatie waarin toegang tot onafhankelijke rechterlijke toetsing pas ontstaat nadat een ouder een schikking heeft geweigerd, kan moeilijk worden verenigd met de uitgangspunten van rechtsstatelijkheid en effectieve rechtsbescherming

Het departement heeft aangegeven dat, wanneer een ouder een vaststellingsovereenkomst niet ondertekent, alsnog een beschikking kan worden opgesteld.
Daarmee blijft formeel de mogelijkheid bestaan om bezwaar en beroep in te stellen bij de rechter.
In uw Kamerbrief (“Aanvullende informatie t.b.v. Commissiedebat Hersteloperatie toeslagen”) van 17 maart jl. geeft u daarover aan: “Ook na de individuele berekening wordt ingezet op afronding van het traject met een VSO, maar een beschikking blijft mogelijk. De individuele berekening is zo ingericht dat snel kan worden overgegaan tot het opstellen van een beschikking, indien het niet lukt tot een VSO te komen. Begrijpelijkerwijs kan een rechterlijke toetsing wenselijk zijn, vandaar dat ik laat onderzoeken of met een beschikking rechtstreeks beroep bij de rechter wenselijk is.”  

De Oudercommissie onderkent dat hiermee weliswaar formele rechtsbescherming behouden blijft. Tegelijkertijd verandert de inrichting van het stelsel wezenlijk. De bestuursrechtelijke route wordt in dit model immers niet langer het primaire instrument voor de vaststelling van schade, maar fungeert feitelijk als vangnet nadat een schikking is geweigerd.

Dit heeft belangrijke gevolgen voor de rechtspositie van ouders. Wanneer toegang tot een bestuursrechtelijke beoordeling pas ontstaat nadat een ouder een schikkingsvoorstel heeft afgewezen, kan in de praktijk schikkingsdruk of procedurele druk ontstaan. Ouders kunnen zich daardoor genoodzaakt voelen een overeenkomst te accepteren om langdurige procedures bij de rechter te vermijden.

Juist voor gedupeerde ouders, die vaak al jarenlang in conflict zijn geweest met de overheid en voor wie procedures zwaar en belastend zijn, acht de Oudercommissie een dergelijke situatie onwenselijk. De hersteloperatie is immers bedoeld om het conflict tussen overheid en burger te beëindigen en vertrouwen te herstellen, niet om ouders opnieuw in een juridische strijd met de overheid te plaatsen.

Daarnaast verschuift in een dergelijk model de onafhankelijke beoordeling van schade naar een later moment in het proces. Waar in de huidige systematiek een onafhankelijke commissie vooraf adviseert over de omvang van de schade, ontstaat in een schikkingsmodel het risico dat een inhoudelijke (onafhankelijke) toets pas plaatsvindt wanneer een ouder zich tot de rechter wendt.

De Oudercommissie acht het daarom van groot belang dat ouders daadwerkelijk een reële en laagdrempelige keuze behouden tussen een schikkingsroute en een bestuursrechtelijke route.

Concreet betekent dit dat:

  • ouders een aanvraag voor werkelijke schade moeten kunnen indienen;
  • hierover een bestuursrechtelijke beschikking moet worden genomen;
  • bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk blijven;
  • de bestuursrechtelijke route niet slechts een vangnet wordt na het weigeren van een schikking.

Indien het kabinet voornemens is om het stelsel zodanig te wijzigen dat de afhandeling van aanvullende schade primair plaatsvindt via vaststellingsovereenkomsten, dan is naar het oordeel van de Oudercommissie een wijziging van de Wet hersteloperatie toeslagen noodzakelijk. Zolang de wet voorziet in een bestuursrechtelijke aanspraak op vergoeding van werkelijke schade, dient ook een toegankelijke bestuursrechtelijke route beschikbaar te blijven.

De Oudercommissie vraagt u daarom om op korte termijn duidelijkheid te geven hoe de rechtsbescherming binnen het stelsel voor aanvullende schade gewaarborgd wordt en procedurele druk wordt voorkomen.

3. Functioneren van het stelsel voor aanvullende schade
Naast deze twee urgente punten zijn er bredere aandachtspunten in het functioneren van het stelsel.

Uit de praktijkervaring van Stichting (Gelijk)Waardig Herstel blijkt dat ouders in verschillende fases van het proces vastlopen, onder meer doordat:

  • zeer uitgebreide documentatie wordt gevraagd over gebeurtenissen die vaak meer dan tien jaar geleden plaatsvonden;
  • wettelijke bewaartermijnen maken dat bepaalde bewijsstukken eenvoudigweg niet meer beschikbaar zijn;
  • het forfaitaire model niet altijd passend is bij complexe of uitzonderlijke situaties.

Ten aanzien van dit laatste punt geeft uw (eerder genoemde) Kamerbrief van 17 maart 2026 het volgende aan: “In specifieke gevallen sluit het forfaitaire kader niet aan bij de situatie van een ouder, omdat zich – als gevolg van de terugvorderingen of stopzetting van de kinderopvangtoeslag – gebeurtenissen hebben voorgedaan die niet passen binnen de forfaitaire schadeposten, of omdat zeer specifieke gebeurtenissen hebben geleid tot hogere schades dan het forfait aan compensatie biedt. Het gaat bijvoorbeeld om situaties waarbij aannemelijk kan worden gemaakt dat als gevolg van de terugvordering sprake is van hoge medische kosten of structureel inkomensverlies door ziekte, het verlies van een significant hoger in komen dan de forfaitaire “maatman-norm” of van een zakelijk faillissement of beëindiging van een bedrijf.”
U geeft echter niet aan dat voor situaties waarin eigenlijk op voorhand al duidelijk is dat het forfaitaire model niet zal voldoen, rechtstreekse toegang tot maatwerk/ precieze berekening van werkelijke schade mogelijk is. De Oudercommissie adviseert, in lijn met onze adviezen onder punt 2, hierover op korte termijn duidelijkheid te verschaffen.

In dezelfde Kamerbrief geeft u aan dat het niet mogelijk is om ‘hybride’ te werken, d.w.z. dat gedupeerden die een forfaitaire route doorlopen en gaandeweg het proces ontdekken dat voor sommige posten het forfait tekort schiet, alleen voor die posten een aanvullende maatwerkberekening ontvangen. Ofwel dat de ruimte bestaat binnen het schadekader om af te wijken/ te onderhandelen (iets waar de Oudercommissie van meet af aan voor heeft gepleit).

U zegt hierover: “Een ouder die – vanuit de forfaitaire berekening – de stap zet naar een individuele berekening kan niet terugvallen op (delen van) het eerder gedane forfaitaire aanbod.” Het ontbreken van deze mogelijkheid, zo is onze inschatting, zou kunnen leiden tot een grote(re) vraag naar maatwerkberekeningen. Dat maakt het in onze ogen extra relevant dat geen ontmoedigingsbeleid wordt gevoerd voor de individuele route én dat ouders daadwerkelijk een reële en laagdrempelige keuze behouden tussen een schikkingsroute en een bestuursrechtelijke route.

Een hersteloperatie kan alleen succesvol worden afgerond wanneer ouders procedurele rechtvaardigheid ervaren en bereid zijn het conflict met de overheid daadwerkelijk af te sluiten.

Samenvattend
De hersteloperatie staat op een belangrijk moment. Met de introductie van nieuwe routes voor aanvullende schade en de naderende aanmelddeadline van 31 maart 2026 worden ouders gevraagd belangrijke keuzes te maken over hun herstelproces. Tegelijkertijd bestaan er nog belangrijke onzekerheden over de werking van het stelsel en de rechtspositie van ouders.

De Oudercommissie ziet dat de bewindspersoon stappen wil zetten om ouders perspectief te bieden. Tegelijkertijd constateren wij dat op enkele cruciale punten nadere verduidelijking en bijsturing nodig is om te voorkomen dat gedupeerde ouders opnieuw vastlopen in procedures of zich genoodzaakt voelen hun zaak voor de rechter te brengen.

In het bijzonder acht de Oudercommissie het van belang dat de hersteloperatie zodanig wordt ingericht dat ouders daadwerkelijk een reële keuze behouden tussen een schikkingsroute en een bestuursrechtelijke route, en dat schikkingsdruk of procedurele druk wordt voorkomen.

De Oudercommissie adviseert daarom dringend om:

  1. de aanmelddeadline van 31 maart 2026 uit te stellen, zodat ouders voldoende tijd hebben om zich te informeren en een weloverwogen keuze te maken tussen de beschikbare routes;
  2. duidelijkheid te geven over de beschikbaarheid en inrichting van de bestuursrechtelijke route voor aanvullende schade, zodat gewaarborgd blijft dat ouders toegang houden tot onafhankelijke rechterlijke toetsing;
  3. het stelsel voor aanvullende schade verder te verduidelijken, met name waar het gaat om complexe schades, bewijsvereisten en de toegankelijkheid van de verschillende routes.

Met deze stappen kan worden voorkomen dat de hersteloperatie opnieuw leidt tot onzekerheid en juridische conflicten. Belangrijker nog: zij dragen bij aan een herstelproces dat voor gedupeerde ouders rechtvaardig, zorgvuldig en geloofwaardig is.

Hoogachtend,

Namens de Oudercommissie Kinderopvangtoeslag,

Tof Thissen (voorzitter)