De Oudercommissie heeft op 27 juli j.l. een advies uitgebracht dat gaat over het opheffen van de invorderingspauze. Dat dient zorgvuldig te gebeuren, zodat voorkomen wordt dat gedupeerden opnieuw in de problemen komen. Hieronder is het hele advies opgenomen.

Geachte mevrouw Palmen, geachte heer Eerenberg,

In 2019 werd in de hersteloperatie de zogenaamde ‘pauzeknop’ geïntroduceerd op voorzet van de Tweede Kamer[1]. Als gevolg hiervan, zo valt ook te lezen in de eerste VGR van april 2020[2], werd dwanginvordering van toeslagen- en belastingschulden stopgezet voor CAF-11-ouders, overige CAF-zaken, ouders met een O/GS-label en later ook zelfmelders. Ook verrekeningen met lopende toeslagen worden stopgezet.

De pauzeknop is vervolgens wettelijk verankerd in de Wet hersteloperatie toeslagen (VGR 9, 2021). De invorderingspauze wordt gepresenteerd als een essentieel onderdeel van de brede hersteloperatie. Belangrijk uitgangspunt daarbij was steeds dat herstel eerst moet plaatsvinden, voordat de overheid weer terugkeert naar de reguliere uitvoering.
Nu de invorderingen opnieuw zijn opgestart, geldt echter voor een grote groep gedupeerden dat dit punt nog niet is bereikt. Uit signalen die de Oudercommissie heeft ontvangen blijkt daarnaast dat een deel van de gedupeerden opnieuw kopje onder dreigt te gaan door de wijze van invordering. Doordat ouders worden geconfronteerd met hoge maandelijkse betalingstermijnen, komt hun bestaanszekerheid (opnieuw) in het geding. De situatie dreigt voor een deel van de gedupeerden opnieuw te escaleren. Dit geldt in het bijzonder voor de groep gedupeerden met hoge invorderingsschulden en een laag besteedbaar inkomen. Juist voor deze groep gedupeerden die in een financieel kwetsbare positie zitten, zal de invordering vanaf september a.s. weer worden opgestart. De situatie is daarom urgent en vraagt om een doorbraak.

De Oudercommissie begrijpt de zogenoemde pauzeknop niet onbeperkt kon voortduren. De rechtmatigheid van de hervatting van de invordering staat voor de Oudercommissie dan ook niet ter discussie. Tegelijkertijd constateren wij dat de omstandigheden waaronder de pauzeknop destijds werd ingevoerd, voor een grote groep gedupeerde ouders nog steeds bestaan. Naar schatting ten minste 15.000 ouders wachten nog op de afhandeling van hun aanvullende schade. Voor hen is het financiële en emotionele herstel nog allerminst afgerond. Zij bevinden zich nog midden in de hersteloperatie. Ook constateert de Oudercommissie dat door de wijze waarop de invordering plaatsvindt (wettelijke betalingstermijnen en standaard invorderingsprocessen) een groep gedupeerden opnieuw in de schulden dreigt te komen.

De Oudercommissie is van mening dat de hervatting van de invordering vraagt om een aanpak die recht doet aan de uitgangspunten waarop de hersteloperatie is gebouwd en adviseert de beide verantwoordelijke staatssecretarissen van Financiën om die reden het invorderingsbeleid aan te passen.

De pauzeknop was meer dan een invorderingsmaatregel

Bij de invoering van de pauzeknop koos de wetgever nadrukkelijk voor een uitzonderlijke benadering. De Tweede Kamer achtte het onaanvaardbaar dat ouders enerzijds werden gecompenseerd voor het door de overheid veroorzaakte onrecht, terwijl zij anderzijds direct weer met beslagleggingen en invorderingsmaatregelen zouden worden geconfronteerd.

De pauzeknop was daarom geen technisch instrument, maar een bewuste keuze om herstel voorrang te geven boven reguliere invordering. Daarbij stonden drie uitgangspunten centraal:

1. Rust creëren

2. Voorkomen van nieuwe escalatie

3. Herstel vóór invordering

De pauzeknop moest voorkomen dat schuldenproblematiek opnieuw zou escaleren door beslagleggingen, oplopende invorderingskosten of een opeenstapeling van betalingsverplichtingen. Er werd onderkend dat herstel alleen mogelijk is wanneer ouders voldoende rust ervaren om hun leven weer op te bouwen. De pauzeknop bood ouders tijdelijk bescherming tegen nieuwe financiële druk en creëerde ruimte om zich te richten op hun herstel.

Voor veel ouders is die behoefte aan rust nog onverminderd aanwezig. De behandeling van aanvullende schade duurt voor een grote groep immers nog voort. Maar ook vanuit gedupeerden die inmiddels het financieel herstel hebben afgerond komen signalen dat zij zich overvallen voelen door de omvang van de terugvordering ofwel de beperkte mogelijkheden die er zijn om af te wijken van wettelijke betalingstermijnen.

Escalatie

Een voorbeeld van een dergelijke casus die ons is aangedragen betreft een zwangere dame waarvoor toeslagenschulden a €7000 zijn ontstaan gedurende de bevriezing van de invordering (2023 t/m 2025). De persoon in kwestie was zich er niet van bewust dat het inkomen van haar thuiswonende dochter meetelde voor de toeslagen. Voor deze persoon was bovendien niet helder op welk moment ze de gepauzeerde invorderingsschuld opnieuw zou moeten gaan betalen. Inmiddels wordt mevrouw geachte €331 per maand af te betalen. Hierdoor kan mevrouw niet goed meer voorzien in de dagelijkse kosten van het bestaan, en zijn andere schulden aangegaan om de Dienst Toeslagen te betalen. Er wordt geen gehoor gegeven aan haar verzoek om lager maandbedrag te betalen. Terwijl evident is dat de vaste wettelijke betalingstermijn (1 jaar voor belastingschulden, 2 jaar voor toeslagenschulden) geen redelijke termijn is voor aflossing. Ook lijkt dit strijdig wat hierover eerder is aangekondigd in VGR 18 (oktober 2024). Daarin staat dat “ouders die naar eigen verwachting moeite krijgen met terugbetalen, wijzen we op de mogelijkheden van ondersteuning zoals onder andere een persoonlijke betalingsregeling.”

Ook heeft de Oudercommissie begrepen dat de herstelgelden, die juist bedoeld waren om bestaanszekerheid te herstellen en ruimte te bieden voor duurzaam herstel, in de praktijk worden beschouwd als direct beschikbare aflossingscapaciteit. Daarmee dreigt de financiële ruimte die de hersteloperatie juist beoogde te creëren, alsnog verloren te gaan. Dat wringt met de oorspronkelijke bedoeling van de hersteloperatie, waarin herstel voorrang kreeg boven reguliere invordering.

Maatwerk

De huidige uitvoering wordt bepaald door wettelijke betalingstermijnen en standaard invorderingsprocessen. Hoewel deze regels vanuit rechtsgelijkheid begrijpelijk zijn, kan een onverkorte toepassing zonder ruimte voor professionele afweging in individuele gevallen leiden tot situaties die moeilijk verenigbaar zijn met de menselijke maat waarop de hersteloperatie juist is gebaseerd.

Bij ouders die erkend gedupeerd zijn vraagt de uitvoering om voldoende handelingsruimte om maatwerk toe te passen wanneer de omstandigheden daarom vragen. Niet de uitzondering op de wet staat daarbij centraal, maar een zorgvuldige toepassing van bestaande bevoegdheden, met oog voor de bijzondere context van deze groep.
Daarbij verdient ook de bestemming van ontvangen herstelgelden nadrukkelijk aandacht. De Oudercommissie acht het onwenselijk wanneer vermogen dat juist is opgebouwd of behouden om duurzaam herstel mogelijk te maken, zonder nadere afweging volledig wordt aangemerkt als beschikbare aflossingscapaciteit. De functie van deze middelen binnen het herstelproces zou expliciet moeten worden betrokken bij de beoordeling van betalingsregelingen en andere vormen van maatwerk.

Een ander punt van aandacht is het ontbreken van coördinatie tussen de verschillende afdelingen van de Belastingdienst, waardoor er veel brieven worden gestuurd. Voor gedupeerden is geen centraal aanspreekpunt beschikbaar om tot een integrale oplossing te kunnen komen.
Zo kreeg de Oudercommissie een casus onder ogen van een gedupeerde die 76 brieven heeft ontvangen. Haar ingewikkelde inkomenssituatie (voorheen ZZP, nu dienstbetrekking) maakt dat er veel zaken door elkaar lopen in relatie tot de Belastingdienst. De onmogelijkheid om tot één betalingsregeling te komen, betekent voor deze persoon dat per aanslag bezwaar moet worden aangetekend of een regeling getroffen dient te worden. Nog los van het gegeven dat de standaard betalingstermijn van Belastingschulden één jaar is en mevrouw daardoor sowieso het hoofd niet boven water kan houden.

Een gecoördineerde doorbraakaanpak

De Oudercommissie adviseert daarom een landelijk gecoördineerd ondersteuningspunt in te richten voor gedupeerden die door de hervatting van de invordering in financiële problemen dreigen te komen.

Een onafhankelijke partij, zoals Sociale Banken Nederland, zou hiervoor een logische uitvoerende partner kunnen zijn.

Dit ondersteuningspunt zou:

  • fungeren als één herkenbaar aanspreekpunt;
  • beschikken over professionals met specifieke kennis van de hersteloperatie en de gevolgen van de kinderopvangtoeslagaffaire;
  • integraal kunnen kijken naar belasting-, toeslagen-, gemeentelijke en overige schulden;
  • samen met ouders kunnen werken aan een geconsolideerde betalingsregeling, waarbij de totale financiële situatie centraal staat in plaats van afzonderlijke schuldeisers;
  • waar nodig verbinding leggen met gemeenten, Dienst Toeslagen, de Belastingdienst, UHT en andere betrokken organisaties.

Hiermee ontstaat een aanpak die niet uitgaat van afzonderlijke regelingen, maar van het herstel van de ouder als geheel.

Advies

De Oudercommissie adviseert de staatssecretaris daarom:

  1. te erkennen dat voor een aanzienlijke groep erkend gedupeerde ouders het herstel nog niet is afgerond, zolang de afhandeling van de aanvullende schade nog loopt of de gevolgen van de hersteloperatie nog niet zijn gestabiliseerd;
  2. de hervatting van de invordering nadrukkelijk vorm te geven vanuit de uitgangspunten die aan de basis lagen van het moratorium, te weten: rust creëren, nieuwe escalatie voorkomen en herstel vóór reguliere uitvoering. Dit om te voorkomen dat de invordering het herstelproces doorkruist;
  3. uitvoeringsorganisaties meer ruimte te bieden om binnen de bestaande wettelijke kaders maatwerk toe te passen, zodat in individuele gevallen kan worden afgeweken van standaardbetalingstermijnen wanneer deze de bestaanszekerheid of het herstel van erkend gedupeerde ouders ernstig onder druk zetten. Daarbij dient ook de bestemming van ontvangen herstelgelden nadrukkelijk te worden betrokken, zodat vermogen dat bedoeld is om duurzaam herstel mogelijk te maken niet zonder individuele afweging volledig wordt aangemerkt als beschikbare aflossingscapaciteit;
  4. een landelijk, onafhankelijk ondersteunings- en coördinatiepunt in te richten, bijvoorbeeld onder regie van Sociale Banken Nederland, waar gedupeerden terecht kunnen zodra zij door de hervatte invordering in de knel komen of dreigen te komen;
  5. dit ondersteuningspunt te bemensen met professionals die beschikken over specifieke kennis van de kinderopvangtoeslagaffaire, integraal kunnen kijken naar belasting-, toeslagen-, gemeentelijke en overige schulden en samen met ouders kunnen werken aan een geconsolideerde betalingsregeling die uitgaat van de totale financiële situatie van het gezin;
  6. en daarnaast te verkennen of het mogelijk is de aflossing van de in te vorderen schulden onderdeel te maken van het herstelproces. Bijvoorbeeld door de mogelijkheid in te bouwen in de schaderoutes om deze schulden direct te verrekenen met de financiële compensatie van aanvullende schade.

Tot slot

De Oudercommissie onderschrijft dat de tijdelijke pauzeknop niet eindeloos kon voortduren. Tegelijkertijd mag de hervatting van de invordering niet betekenen dat ouders opnieuw verdwalen in een versnipperd systeem of opnieuw worden geconfronteerd met een overheid die primair handelt vanuit procedures en afzonderlijke verantwoordelijkheden.

De hersteloperatie heeft vanaf het begin erkend dat werkelijk herstel méér vraagt dan financiële compensatie alleen. Die erkenning vraagt ook in deze nieuwe fase om een overheid die samenhang organiseert, verantwoordelijkheid neemt voor de totale situatie van ouders en ervoor zorgt dat niemand opnieuw klem raakt ‘tussen balie en beleid’.

Juist nu de invordering wordt hervat, is het moment aangebroken om de lessen van de hersteloperatie daadwerkelijk in de uitvoering te verankeren. Door ervoor te zorgen dat de invordering plaatsvindt op een manier die ouders ondersteunt in plaats van opnieuw overvraagt. Daarmee wordt niet alleen recht gedaan aan de menselijke maat, maar ook aan de oorspronkelijke bedoeling van de hersteloperatie: duurzaam herstel van vertrouwen én van levens.

De toeslagenaffaire onderstreept het belang van een overheid die zichtbaar naast mensen staat, oog heeft voor wat zij hebben meegemaakt en ruimte biedt voor maatwerk, passende ondersteuning en menselijk contact.

Hoogachtend,

Namens de Oudercommissie Kinderopvangtoeslag,

Tof Thissen (voorzitter)


[1] Kamerstuk 35302, nr. 68 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen

[2] https://open.overheid.nl/documenten/ronl-7417e519-a35b-44e5-aed2-2965a6f46725/pdf